De hoogte van de sectorpremie (WA) voor de WW. Een juiste en optimale sectoraansluiting is van financieel belang.

 

Auteur: Bart Agerbeek

 

Afhankelijk van de beroeps- of bedrijfstakken waarin een onderneming actief is, en het aan deze sector verbonden werkloosheidsrisico, is een sectorpremie verschuldigd. De indeling van de onderneming onder een bepaalde sector wordt gedaan door de belastingdienst, waarbij het eerste aanknopingspunt zal zijn de beschrijving van de bedrijfsactiviteiten bij de aanmelding als werkgever. De sectorpremie verschilt dus van sector tot sector, waarbij ook binnen een aantal sectoren meerdere risicopremiegroepen zijn benoemd. De sector, en (bij bepaalde sectoren) de risicopremiegroep, waarbij de onderneming wordt ingedeeld heeft dus financiële consequenties. In deze blog een beschrijving van de kaders bij de sectoraansluiting. Een recente ontwikkeling hierbij is het vervallen van de mogelijkheid voor uitzendbedrijven om ingedeeld te worden in een andere sector dan de uitzendsector.

 

Bedrijfsactiviteiten

Bij de start van een onderneming wordt bij de ‘opgaaf startende onderneming’ door de onderneming informatie gegeven over de bedrijfsactiviteiten die worden verricht en/of zullen worden verricht. Op grond hiervan boordeelt de belastingdienst bij welke sector de werkgever wordt aangesloten. De hoofdregel is dat een onderneming wordt aangesloten bij de sector waar het grootste deel van de premieloonsom kan worden toegerekend.

Per sector in het maatschappelijk verkeer wordt (jaarlijks) een voor die sector geldende sectorpremie vastgesteld. De beslissing van de belastingdienst omtrent de sector waarbij de onderneming wordt ingedeeld heeft dan ook rechtstreekse invloed op de hoogte van de werkgeverslasten. Het is dus belangrijk dat de onderneming bij de aanvang van de onderneming bij de opgaaf een juiste beschrijving doet van de bedrijfsactiviteiten. Daarbij is het natuurlijk ook mogelijk dat het soort bedrijfsactiviteiten of de verhouding tussen verschillende soorten bedrijfsactiviteiten op een later tijdstip op enigerlei wijze veranderen. Overeenkomstig kan ook de juiste sectoraansluiting wijzigen.

 

Werkloosheidsrisico per sector

Voor alle sectoren in het maatschappelijk verkeer wordt een sectorpremie vastgesteld, de WA-premie (onderdeel WW), welke moet worden betaald door werkgevers. De sectorpremies komen ten goede aan de verschillende sectorfondsen en uit deze sectorfondsen wordt de eerste fase van de werkloosheidsuitkeringen bekostigd, waarbij het werkloosheidsrisico gedragen wordt door het sectorfonds en dus indirect door de betreffende sector zelf. De hoogte van het werkloosheidrisico van betreffende bedrijfstak bepaalt dus de hoogte van de sectorpremie-WW.

 

Wijziging van sectorindeling

Bij aanvang van de bedrijfsactiviteiten geeft de onderneming aan waaruit haar werkzaamheden zullen bestaan en de belastingdienst op grond hiervan (al dan niet gevolgd door een nader onderzoek) een beslissing neemt met betrekking tot de sectoraansluiting.

In de praktijk komt echter regelmatig voor dat op enig moment in de toekomst de bedrijfsactiviteiten wijzigen, uitgebreid worden met andere werkzaamheden of juist worden beperkt. Bij structureel gewijzigde omstandigheden kan dan de situatie ontstaan dat de sectoraansluiting niet meer (volledig) overeen komt met de bedrijfsactiviteiten. De onderneming is gehouden om de sectoraansluiting aan de belastingdienst voor te leggen.

Als de belastingdienst besluit dat een werkgever naar een andere sector overgaat, zal deze overgang in de regel plaatsvinden per 1 januari of 1 juli van het jaar en zal dit op het eerst mogelijke van deze tijdstippen plaatsvinden ná het verzenden van de indelingsbeslissing aan de werkgever.

Als achteraf echter komt vast te staan dat herindeling had moeten plaatsvinden terwijl de werkgever heeft nagelaten een daartoe strekkend verzoek in te dienen, dan wel dat na een verzoek hiertoe door de werkgever de belastingdienst heeft nagelaten een indelingsonderzoek in te stellen, dan kan een wijziging van de sectoraansluiting ook met terugwerkende kracht plaatsvinden. De belastingdienst kan ook zelf besluiten om een onderzoek te doen naar de juistheid van een sectoraansluiting. Als bij een herbeoordeling geconcludeerd wordt dat in de jaren voorafgaande het onderzoek sprake was van een onjuiste sectoraansluiting, bij een wijziging van de bedrijfsactiviteiten, leidt dit mogelijk tot grote financiële gevolgen. Een verandering van, of van de samenstelling van de, werkzaamheden binnen het bedrijf kan voor de onderneming aanleiding zijn om ook vraagtekens te zetten bij de juistheid van de sectorindeling.

 

Risicogroepen

Een aantal sectoren kent een beduidend hoger werkloosheidsrisico dan de andere sectoren. Dit zijn de sectoren waarbinnen er veel werknemers zijn die seizoensarbeid verrichten en een verhoogd risico lopen werkloos te worden als gevolg van (tijdelijk) weinig of geen werk. Dit zijn de sectoren: agrarisch bedrijf, bouwbedrijf, schildersbedrijf, horeca en culturele instellingen.

Binnen deze branches worden twee premiegroepen vastgesteld, de premiegroep kort (met een hoge sectorpremie) en de premiegroep lang (met een lagere sectorpremie). In beginsel moet u als werkgever binnen deze sectoren de hoge sectorpremie betalen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat met de werknemers kortdurende arbeidsovereenkomsten gesloten worden afgestemd op het seizoensgebonden werk. Vandaar de benaming premiegroep kort.
Alleen bij het afsluiten van arbeidsovereenkomsten van ten minste een jaar of voor onbepaalde tijd (vandaar de benaming premiegroep lang), kan de lage sectorpremie worden toegepast.

Het is van belang te beseffen dat de feiten en omstandigheden doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de juiste risicopremiegroep. Logischerwijs passen werkgevers die actief zijn in de agrarische sector bij voorkeur de lage premie toe (risicopremiegroep lang), maar constructies waarbij seizoenswerkers werkzaam zijn onder arbeidsovereenkomsten voor (ten minste) een jaar zullen in principe niet tot de lage premie kunnen leiden. Recentelijk oordeelde de rechter in een tweetal situaties de bepaling in de overeenkomsten dat de werknemers voor één jaar in dienst treden, geen reële betekenis heeft. In de praktijk bleek dat geen van de uitzendkrachten een heel jaar werkzaam is geweest, was met betrekking tot de arbeidsduur alleen bepaald dat deze minimaal een aantal (of een gemiddeld aantal) uur bedroeg en was er geen loondoorbetalingsverplichting. De rechter oordeelde dat de omvang van de arbeid niet eenduidig is vastgelegd en dat in de praktijk steeds sprake was van kortstondige seizoensarbeid. Deze constructies faalden en de werkgevers dienden de hoge premie van risicopremiegroep kort toe te passen, het verschil moest alsnog worden nabetaald en er werd een vergrijpboete opgelegd.

 

Uitzendbedrijven altijd in sector 52

Zoals hiervoor aangegeven wordt een onderneming in beginsel ingedeeld in de sector waaraan, wat betreft de bedrijfsactiviteiten, het grootste deel van de loonsom kan worden toegerekend. Voor uitzendbedrijven geldt echter dat zij werknemers in meerdere sectoren tewerkstellen, waarbij sommigen juist aan een enkele sector werknemers uitlenen. Om de sectorpremies te laten aansluiten bij de bijbehorende sectorrisico’s, was het voor uitzendbedrijven mogelijk om de sectoraansluiting te verkrijgen die hoort bij de sector waaraan voor meer dan 50% van het premieplichtige loon (op basis van uitzendovereenkomsten zonder uitzendbeding) aan wordt uitgeleend, de zogeheten ‘vaksector’.

De toepassing van deze vaksector is in de laatste jaren sterk gegroeid, waarbij de wetgever tevens heeft vastgesteld dat deze werkgevers/uitzendbedrijven voor de premieheffing hogere lasten voor de ZW en WW veroorzaken en niet goed vergelijkbaar zijn met andere werkgevers in de betreffende vaksectoren. Om dit tegen te gaan is vanaf 25 mei 2017 de Regeling Wfsv gewijzigd en is het voor uitzendbedrijven, zijnde ondernemingen waarvan het premieplichtige loon voor meer dan 50% betrekking heeft op uitzendwerk, niet meer mogelijk om onder een andere sector te vallen dan sector 52 voor uitzendondernemingen. Deze regeling geldt voor nieuwe gevallen. De werkgevers die een aanvraag voor sectorindeling hebben ingediend vóór 25 mei 2017, en hierbij zijn ingedeeld in een vaksector, blijven (bij ongewijzigde omstandigheden) ingedeeld in deze vaksector. De afschaffing van de sectoraansluiting voor uitzendondernemingen bij een andere sector (dan 52) leidt tot een ongelijke behandeling tussen uitzendondernemingen die een verzoek tot sectoraansluiting vóór of na 25 mei 2017 hebben gedaan. Met betrekking tot deze ongelijke behandeling wordt aangegeven dat men streeft om uiterlijk 1 januari 2019 een definitieve regeling te kunnen vaststellen.

 

Meerdere bedrijfsactiviteiten

De hoofdregel bij de bepaling van de sectoraansluiting is dat de onderneming wordt ingedeeld bij die sector waaraan het hoogste deel van de loonsom kan worden toegerekend. De beoordeling door de belastingdienst vindt in eerste instantie plaats aan de hand van de bedrijfsactiviteiten binnen de onderneming zoals de werkgever deze heeft opgegeven. Deze beoordeling kan plaatsvinden bij de opgaaf startende onderneming, maar is ook later mogelijk op eigen initiatief van zowel de werkgever als de belastingdienst.

Het is niet altijd eenvoudig om een aansluiting bij de juiste sector eenduidig vast te stellen. In sommige ondernemingen zijn meerdere van elkaar verschillende bedrijfsactiviteiten ondergebracht, waarbij het indelen van de gehele onderneming lastig te bepalen kan zijn. Daarnaast is het, zoals hiervoor aangegeven, mogelijk dat de aansluiting in eerste instantie wel juist is maar later mogelijk herzien zou moeten worden op basis van het (structureel) wijzigen van de omvang en/of het karakter van de bedrijfsactiviteiten.

 

Gesplitste aansluiting

Als er binnen de onderneming meerdere bedrijfsactiviteiten zijn kunnen deze, op zichzelf beschouwd, mogelijk onder verschillende sectoren vallen. Op basis van een beoordeling naar de hoogte premieloonsom zal in beginsel echter sprake is van slechts één aansluiting. Zoals hiervoor vermeld is het mogelijk dat de verhouding van de loonsommen van beide bedrijfsactiviteiten na verloop van tijd wijzigt en dat de onderneming als geheel eigenlijk bij een andere sector hoort. Het is echter ook mogelijk dat de werkgever bij meerdere sectoren wordt aangesloten. Dit kan voordeliger zijn als de bedrijfsactiviteiten met de lagere premieloonsom onder een sector vallen met een lagere sectorpremie. Een dergelijke gesplitste aansluiting is mogelijk als de verschillende werkzaamheden goed te splitsen zijn. De voorwaarden voor een gesplitste aansluiting komen neer op de vraag of de afzonderlijke bedrijfsonderdelen voldoende op zichzelf staan of, anders gezegd, de onderneming als geheel in slechts één of juist in meerdere functies optreedt in het maatschappelijk leven.

 

Voorbeeld

Een groothandel in technische onderdelen biedt ook klanten aan om onderdelen en andere apparatuur te installeren. De installatiewerkzaamheden is in een aantal jaar uitgegroeid tot een zelfstandig onderdeel binnen de onderneming. Naast de reguliere werknemers voor de groothandel heeft de onderneming ook installatiemonteurs in dienst die, naast hun werk voor de groothandelactiviteiten, ook installatiewerkzaamheden verrichten voor andere ondernemingen. De groothandelactiviteiten vallen onder sector 41 (2017: 1,30 procent) en de installatiewerkzaamheden onder sector 12 (2017: 0,70 procent). Omdat de grootste loonsom in het bedrijf gevormd wordt door de groothandel, is het bedrijf aan gesloten bij de sector 41. Mogelijk kan voor het bedrijfsonderdeel transport een aparte sectoraansluiting worden gerealiseerd. Hiermee zou, met betrekking tot de installatiemonteurs een premievoordeel van 0,60 procent over de premiegrondslag worden gerealiseerd.

 

Groepsaansluiting

Het tegenovergestelde is ook mogelijk, namelijk dat de onderneming met andere werkgevers een economische of organisatorische eenheid vormt. Voor een dergelijke situatie is ook een soort groepsaansluiting mogelijk. Een argument hiervoor kan zijn om gelijkheid van de loon- en arbeidsvoorwaarden te bereiken voor het gehele personeel, plus mogelijk een vereenvoudiging van de administratie of een lagere totale sectorpremie. Hierbij geldt dan wel dat de (groeps)aansluiting wordt bepaald door de werkzaamheid waaraan het grootste deel van de premieloonsom is toe te rekenen. Voorwaarde voor een dergelijke groepsaansluiting is de aanwezigheid van een organisatorische eenheid. Dit kan onder meer volgen uit het bestaan van: een gezamenlijke directie, een centrale administratie, een centraal personeelsbeleid, onderlinge leveringen/diensten en/of een gezamenlijke vestigingsplaats.

 

Voorbeeld

Een groep van vervoersbedrijven (met één gemeenschappelijke holding) verricht vervoersdiensten op verschillende terreinen, ieder binnen een aparte vennootschap. Zo is er een vennootschap waarbinnen taxi- en ambulancevervoer is ondergebracht (sectorpremie 2016: 3,60 procent). Daarnaast is er een vennootschap die busvervoer op maat aanbiedt (sectorpremie besloten busvervoer 2017: 2,30 procent). Tot slot is er een vennootschap waarbinnen openbaar vervoer wordt verzorgd (sectorpremie 2017: 0,54 procent). De bedrijfsactiviteit openbaar vervoer heeft veruit de grootste loonsom binnen de gehele groep.
Voor de werknemers die werkzaam zijn binnen de bedrijfsactiviteiten taxi- en ambulancevervoer en besloten busvervoer kan dus premievoordeel behaald worden door de realisatie van een groepsaansluiting.

 

Afsluitend

Afhankelijk van de betreffende sectoren en omvang van de premieloonsom, kunnen de financiële gevolgen van een overgang naar een andere sector groot zijn. Mogelijk dat uw onderneming eigenlijk bij een andere sector zou kunnen of moeten zijn aangesloten. Als de bedrijfsactiviteiten in de loop van de tijd wijzigen, is het raadzaam om de belastingdienst om een herbeoordeling te vragen. Legt u de sectoraansluiting niet zelf voor aan de belastingdienst, dan zal een gedwongen overgang naar een sector met een hogere sectorpremie (na onderzoek door de belastingdienst) tot grote financiële gevolgen kunnen leiden, zeker als de belastingdienst dit met terugwerkende kracht vaststelt.

Uiteraard zult u als onderneming geïnteresseerd zijn om een zo gunstig mogelijke sectoraansluiting te hebben. Onder omstandigheden kan mogelijk een gesplitste sectoraansluiting worden gerealiseerd in geval van een samenstelde onderneming met verschillende (zelfstandige) bedrijfsactiviteiten. Ook is een gezamenlijke sectoraansluiting mogelijk bij een groep ondernemingen die juist als gezamenlijke bedrijfsactiviteiten zijn aan te wijzen. U moet zich realiseren dat de werkelijke feiten en omstandigheden doorslaggevend zijn. Uitzendondernemingen moeten er rekening mee houden dat als zij thans bij een nieuwe sectorindeling niet meer aangesloten zullen worden bij de sector waarnaartoe zij uitlenen, maar dat dit in beginsel sector 52 zal zijn.